Selecteer een pagina

Illustratie: Hein de Kort

Hij huild: vaarwel kofschip in het mbo!

 

Mevrouw, hij huild is toch met een d, want huilen zit niet in het kofschip?”. Deze opmerking heb ik de afgelopen jaren als docent in het mbo vaak gehoord. Zo vaak, dat ik me afvraag of het aanleren van de ’t ex-kofschipregel in het mbo wel zinvol is. Let wel, de helft van de leerlingen kent de regel vanaf de basisschool en gebruikt deze sinds die tijd met succes. Vooral blijven gebruiken, is het devies voor deze groep. Echter, als deze regel voor de andere helft al die jaren niet werkt, heeft het dan zin om deze spellingsstrategie in de methodes en in de lessen van het mbo opnieuw in te zetten?

De regelstrategie

De ’t ex-kofschipregel is volgens de theorie van de spellingsdidactiek een ‘regelstrategie’ (Huizenga, H., 2015). Je leert een regel uit je hoofd, leert deze toe te passen en te automatiseren. Als ik studenten deze spellingsregel uit het boek laat voorlezen, dan is dit een alinea van 15 regels. Lange zinnen, abstracte woorden, geformuleerd door een academische redactie. Halverwege haken ze af. Veel mbo-ers zijn eerder doeners dan denkers. De woordenbrij gaat het ene oor in en het andere oor uit. Zou er een andere manier zijn?

De analogiestrategie

Naast de regelstrategie zijn er de ‘analogiestrategie’ en de ‘woordbeeldstrategie’.  De analogiestrategie houdt in dat je een woord activeert bij de student, dat hij al kent en vaak gebruikt. Bijvoorbeeld ‘lopen’. Hij loopt. Hoor je een ‘t’, dan schrijf je een ‘t’. Hij huilt is daarom ook met een t.  Hij werdt is een vorm van hypercorrectie: hij krijgt een t, bij een werkwoord met de stam met een d. Dus ook in de verleden tijd? Met het begrip ‘tegenwoordige tijd en verleden tijd’, daar kunnen ze vaak ook niet veel mee. De vraag: is het nu of gisteren?, werkt beter. Zelfs wat een werkwoord is, is niet voor iedereen helder: “Mevrouw, is dat een woord waar je ‘ik’ voor kunt zetten?” (Citaat mbo4).

De woordbeeldstrategie

Voor de werkwoorden vinden en worden is de analogiestrategie lastiger te gebruiken. Hij vint is dan logisch, want het is NU en je hoort een ‘t’. In dit voorbeeld kan de woordbeeldstrategie worden gebruikt: het woord als een plaatje in je hoofd opslaan. Deze strategie wordt vaak gebruikt bij een moeilijk en laagfrequent woord, zoals bijvoorbeeld ‘echelon’. De analogie-strategie werkt hier niet, want kent u een woord dat u actief gebruikt dat hierop lijkt?

Alleen hoogfrequente werkwoorden

Op vandale.nl is een lijst te vinden van de meest geraadpleegde werkwoorden, waarbij mensen twijfelen over de spelling. Vinden en worden zijn zeer hoogfrequente werkwoorden. Hoeveel verslagen moeten mbo-studenten niet inleveren, waarbij ze hun mening moeten geven (vinden) en situaties moeten benoemen (worden)? Deze twee werkwoorden met de vervoeging in de tegenwoordige en verleden tijd op een poster in de klas te hangen, zou een manier kunnen zijn. Kunnen ze spieken als ze aan het schrijven zijn. Totdat ze het zo vaak gezien hebben, dat het als woordbeeld is opgeslagen.

Succeservaringen gewenst

Wat ik nu ervaar bij methodes als Studiemeter en NuNederlands, is dat er vaak werkwoorden worden aangeboden bij de online oefeningen, waarvan de betekenis bij de studenten onbekend is. Dit maakt de moedeloosheid en het gevoel dat ‘het toch nooit wat wordt’ alleen maar groter.

Voor het oefenen met werkwoorden zou het gewenst zijn, als de studenten aan de slag gaan met hoogfrequente werkwoorden in het algemeen en uit hun beroep in het bijzonder. Om woorden te leren beheersen, geldt een regel van drie keer receptie en zeven keer productie (Van de Laarschot, M., 2009). Binnen een periode van een paar weken zou je het verworven woord zeven keer in de praktijk moeten gebruiken om het te laten inslijpen en nog vaker, om het te automatiseren. Studenten kunnen hiermee succeservaringen boeken in hun beroepspraktijk. Stem af met de beroepsdocenten met welke beroepshandelingen ze de periode aan de slag gaan en welke werkwoorden daarbij vaak worden gebruikt.

Dictee

Ten slotte, voor het herhalen van de theorie bij een volgende les, is een dictee de meest effectieve manier om de voorkennis te activeren. Door te schrijven, activeert de student de klank-letterkoppeling. Dit doet een woordprocessor in het geheugen. Hierdoor versterk je een stukje neuraal netwerk, wat onthouden heet. Voor het woord ‘dictee’ kan een equivalent worden bedacht, dat aansluit bij de doelgroep. In een mbo2-klas met sportjongens heb ik het een ‘spellingswedstrijd’ genoemd, met een prijs voor de student met de minste fouten.

P.S. Tip van collega Greet Lauwers: gebruik in plaats van het kofschip de xtc-koffieshop. Deze werkt bij haar studenten goed. Sluit beter aan bij de belevingswereld. Aanvulling van Fifi Schwarz: xtc-koffieshopje.

Lilian Boonstra

31 januari 2020

Bronnen:

Huizenga, H. (2015). Taal & Didactiek Spelling. Groningen/ Houten: Noordhoff Uitgevers.

Laarschot, M. van de (2009). Lesgeven in meertalige klassen, Handboek Nederlands als tweede taal in het voortgezet onderwijs. Groningen/ Houten: Wolters Noordhoff B.V.